De misleidng in Samuelson's economische kringloop

De economische kringloop, zoals voor het eerst uitgebracht door Paul Samuelson in 1948, heeft veel duizenden Amerikaanse soldaten, die van de oorlog in Europa terugkeerden en hun gemiste studies wilden inhalen, geholpen om inzicht te krijgen in de macro-economie.
Tegelijk heeft het hen, en nog miljoenen andere mensen in de wereld na hen, opgezadeld met een misleidende voorstelling van zaken. Samuelson deed dat niet opzettelijk. Parafraserend op een bekende uitdrukking kunnen we zeggen: beter één onvolmaakt schema op papier dan tien bladzijden tekst waarbij de nodige schema’s ontbreken.

Kate Raworth heeft in ‘Doughnut Economics’ op een aantal lacunes in dat overzicht gewezen en met de ‘embedding’ in het ecosysteem voor een aanvulling/verruiming gezorgd maar aan de essentie van Samuelson’s schema heeft ze niet gesleuteld. Duizenden professoren op academisch- en hogeshoolniveau hebben het originele schema van Samuelson, of één van de vele niet-essentieel verschillende varianten, overgenomen en verspreid van Amerika over Azië tot en met Europa. Aangezien elk van hen het weer aan vele honderden leerlingen en studenten hebben doorgegeven zit de wereldbevolking nu opgescheept met een geïnstitutionaliseerde economische bijziendheid. Als een aantal onder hen daar expliciet op wordt aangesproken weigeren ze daar op in te gaan. De meesten professoren zijn zich wel bewust van de erg hinderlijke onvolkomenheden, en een kleinere groep misschien ook van de fundamentele gebreken, maar ze zijn niet met een voldoende verbeterde versie kunnen komen nét omdat ze zich niet hebben kunnen losmaken van die fundamentele basisfouten.
Kate Raworth schreef het zelf al in haar boek: ‘The first lick is the priviledged one, impinging on the beginner’s tabula rasa at its most impressionable state’ (p. 20 in engelse versie).

Die Gordiaanse knoop kan als volgt eerst worden ontward om er vervolgens een mooie platte knoop voor in de plaats te leggen.

In het Samuelsoniaanse economische kringloopschema wordt business tegenover public gesteld. Hier zat er al een valse knik in het touw want public werd al snel door households vervangen; daarmee werden dan gezinnen aangeduid maar naast gezinshuishoudingen zijn er ook bedrijfshuishoudingen en staats- of publieke huishoudingen. In latere nederlandstalige varianten kregen de tegengestelde groepen de namen producenten en consumenten opgespeld. De cyclus wordt door behoeften en marktwerking aan de gang gehouden.
Het gaat dus om allemaal huishoudingen die ‘kunstmatig’ in twee groepen worden ingedeeld; bij de ene groep denkt men vooral aan de producerende rol (bedrijven / output) en bij de andere groep vooral aan de consumerende rol (gezinnen / input) … terwijl beide groepen die beide rollen vervullen, en soms nog dubbel tegelijkertijd als de bakker aan de slager levert en omgekeerd.
Anderzijds wordt marktwerking noodzakelijkerwijze altijd uitgelegd met voldoende spelers aan beide kanten. In 1948 kon men dat, mits een oogje dicht te knijpen, nog beweren maar sedert de jaren 80 en in steeds sterkere mate daarna zit de wereld onder de knoet van grote oligarchieën en monopolies. Bovendien zijn er veel andere vormen van macht werkzaam die de economische stromen bepalen.

We lenen de blanke lei van Kate Raworth en tekenen die met een nieuwe griffel als volgt vol. Om te beginnen bestaat een samenleving in economisch opzicht uit een verzameling van allemaal huishoudingen of economische entiteiten, die zelfstandig over input en output kunnen beslissen. Die zitten in één groot netwerk, voldoen allemaal aan éénzelfde model betreffende structuur en werking maar verschillen wel in hoofddoelstelling, complexiteit en –in meer en meer ontstellend grote ongelijkheid – in omvang / economische macht. Ze kunnen dus niet in twee (kunstmatige) groepen tegenover elkaar worden gesteld.

Hoe de stromen binnen dat netwerk op gang komen is als volgt te verklaren. Bij die totale verzameling economische entiteiten kunnen en moeten we wel het volgende essentiële onderscheid maken. Enerzijds zijn er gezinnen: dat zijn de entiteiten waarbinnen mensen ‘leven’ én ‘functioneren’. Anderzijds zijn er de niet-gezinnen: dat zijn alle andere entiteiten waarbinnen mensen alleen maar ‘functioneren’. Een andere manier omdat onderscheid te noemen is spreken van ‘bevolkte’ en ‘niet-bevolkte’ entiteiten.
De behoeften van mensen in gezinnen doen de cyclus op gang komen want de leden ervan kunnen niet alles zelf produceren (!) en laten dat (vrijwillig of gedwongen) over aan niet-gezinsentiteiten. Als er geen gezinnen zijn kunnen er geen niet-gezinsentiteiten ontstaan, andersom zorgen gezinnen wel dat ze ontstaan als er nood aan is. Niet-gezinsentiteiten zijn in die optiek ‘hulp-entiteiten’ om de leden van de gezinsentiteiten te helpen ‘leven’. Die niet-gezinsentiteiten moeten zorgen voor een goede huishouding / goed management zodat ze zolang als verantwoord overleven (= voldoende winst maken) maar in dat opzicht zijn groei om de groei en winst om de grootste te zijn en/of enkelingen schatrijk te maken ethisch niet verantwoord. In dat geval moeten de politici hun taak waarmaken en corrigerend optreden en zorgen dat het de ‘polis’ / de mensen in de samenleving beter afgaat. Helaas heeft die groep daar de voorbije decennia niet veel van terecht gebracht

Bij die niet-gezinsentiteiten moeten we nog een bijkomend onderscheid maken tussen private en publieke entiteiten omdat de overlevingsdoelstelling daar anders ligt. Bij publieke entiteiten is er doorgaans weinig keuze omwille van de noodzaak van hun bestaan en speelt marktwerking in principe niet. Pas met dit bijkomend onderscheid kunnen we de verzamelde entiteiten overzichtelijk en herkenbaar in drie groepen weergeven, met de gezinsentiteiten altijd centraal. In elk van die drie groepen is er sprake van productie en de uitwisseling van fysieke input en output wordt gecompenseerd door geldstromen in tegenovergestelde zin.
Er zijn ook nog niet met geld gecompenseerde stromen (o.a. vanuit én naar het ecosysteem en inter-familiaal), geldtransfers die slechts globaal gecompenseerd worden (belastingen tegenover infrastructuur en publieke diensten) en geldtransfers zonder specifieke afgeronde tegenprestatie (vb. subsidies allerhande). Tenslotte zijn er nog geldcreaties (leningen door private banken) en geldtransfers voor voorwaardelijke uitgestelde tegentransfers (verzekeringen). Al deze bijkomende stromen zijn overzichtelijk en in het nodige detail aan de vermelde drieledige indeling te koppelen door met gelaagde gelijkvormige schema’s te werken.

Voor het feit dat Samuelson’s ‘krakemikkige‘ schema zolang heeft kunnen standhouden kunnen academici alleen inroepen dat de oppositie tegenover het communisme de westerse economen ervan heeft weerhouden om ook maar de minste zwakte in de overtuiging van hun grote gelijk naar buiten te laten komen. Na de val van de Berlijnse muur was dat excuus er niet meer maar hebben ze er geen werk van gemaakt. Pas door het aandringen door studenten economie gegroepeerd in de ‘International Student Initiative for Pluralism in economics’ zijn ze aan een herbronning begonnen, voorlopig zonder betekenisvol resultaat van hun kant.

The first part of this article was translated into English but it is sufficient for me to understand that the writer does not have a good knowledge of our subject of economics. The diagram of Professor Samuelson may not be as complete as mine, but it does work the right way and to criticize it for being basically wrong is incorrect.