EXternaliseren zat al in Samuelson's kringloopschema

Anders dan bij staatskapitalisme waarbij de staat de touwtjes strak en sterk in handen houdt, wil kapitalisme dat werkt in een vrije markt zoveel mogelijk de handen vrij hebben om te focussen op groei en winst.
Groei is belangrijk om macht te verwerven op de markt. Hoe sneller men boven de concurrenten uitgroeit des te eerder is men verlost van de ongemakkelijke realiteit van een gelijk speelveld, terwijl dat toch de gedachte is achter de term ‘vrije markt’.
Winst kan natuurlijk toenemen door toedoen van groei van de omzet maar ook door de productiekosten zoveel mogelijk te reduceren of ‘buiten de deur te houden’. Dat buiten de deur houden noemt men binnen de economische theorie externaliseren. Men kan daarbij onder andere op zoek gaan naar locaties / landen met lage lonen, lage belastingen, en zo weinig mogelijk milieubeperkingen en/of lage kosten voor de grondstoffen en afvalstromen.

Voor het buiten de deur houden van kosten moet men niet per sé naar het buitenland. Ook binnenlands bestaan daartoe mogelijkheden door bijvoorbeeld zoveel mogelijk kosten voor transport te vermijden of voor een regio te kiezen waar veel werkloosheid heerst en men dus de lonen kan drukken.

Arbeidskosten vormen zowat de meest geviseerde categorie om op te besparen voor wat we de bedrijven noemen. Maar arbeid wordt gepresteerd door mensen en die horen altijd thuis in een gezin. Samuelson noemt die in de oorspronkelijke versie van zijn kringloopschema ‘public’, maar die term was wat verwarrend en werd snel daarna vervangen door ‘households’. Ook dat was niet duidelijk genoeg want niet alleen gezinnen vormen in economisch opzicht een huishouden; ook bedrijven zijn huishoudens. Een huishouden is een economische entiteit die zelfstandig kan beslissen over haar doen en laten. In het Nederlands wordt meestal gebruik gemaakt van de termen producenten en consumenten. Zelfs dat lost het probleem niet op want in elke entiteit van de beide groepen wordt geproduceerd en geconsumeerd. Om precies te zijn moeten we stellen dat elk van de economische entiteiten gekarakteriseerd wordt door input, productie, en output.

Kate Raworth stelt in haar boek dat het economisch bestel in een samenleving bedoeld is om al haar burgers te laten gedijen. Lonen binnen een land onder druk zetten louter omdat de omstandigheden dat toelaten is dus geen goede zaak want dan gedijen, zonder noodzaak, een kleiner of groter deel van de burgers niet goed terwijl intussen de winst wel omhoog kan. Dat niet iedereen op elk moment aan het werk kan is een probleem dat op politiek vlak (solidariteit) moet worden opgelost, maar wie wel werkt moet er ook een behoorlijk loon voor krijgen.

Dat onbehoorlijke loondruk door de bevolking toch regelmatig getollereerd wordt ligt aan het feit dat in het economisch denken de zogenaamde ‘producerende‘ entiteiten belangrijker werden - en nog steeds worden - geacht … en het schema van Samuelson (*) heeft daar heel veel toe bijgedragen door binnen de verzameling van economische entiteiten – zij het met eerst wat onduidelijke woordkeuze – de ene groep producerend te noemen en de andere consumerend. Die voorstellingswijze heeft de ‘producerenden’ de gelegenheid gegeven om met instemming van de ‘consumerenden’ macht te verwerven en die te kunnen consolideren. Niet alle vormen van externaliseren van kosten zijn verwerpelijk maar sommige zijn op zijn minst ondoordacht en een aantal gewoon destructief voor het economisch weefsel.

Het vroegtijdig ontmaskeren van deze dwaling in het kringloopschema had de economische ontwikkeling wereldwijd een veel evenwichtiger pad kunnen opsturen. Als we recent in de kranten konden lezen dat Jeff Bezos met zijn Amazon in tijd van een enkele maanden meer dan 50 miljard dollar rijker werd terwijl duizenden voor hem tewerk gesteld worden aan zeer lage lonen en nog vele anderen zelfs geen ‘inhoudelijk’ contract hebben maar continu ‘op de loer’ moeten liggen om leveringsopdrachten tegen bijzonder scherpe prijzen in te pikken zonder de zekerheid zo voldoende te kunnen verdienen, dan zien we waartoe dat uiteindelijk leidt.

(*) Samuelson heeft in zijn tekening / schema de toen heersende opvatting geconcretiseerd. Door het vastkoppelen van produceren aan bedrijven en van consumeren aan huishoudens/ gezinnen heeft hij echter meteen het schema ‘op slot gedaan’ waardoor de noodzakelijke en voor de hand liggende uitbreidingen niet op een correcte manier aan het oorspronkelijke schema konden worden gekoppeld. De ‘aangevulde’ schemaversie die Kate Raworth in haar boek op pagina 66 toont illustreert dat goed: de drie lussen die onder het kernschema hangen zijn maar met dunne lijntjes verbonden met de overige stromen. Ze verbinden alle drie zowel huishoudens als bedrijven terwijl de ‘lekken’ steeds van de huishoudens vertrekken en de ‘injecties’ altijd bij de bedrijven terechtkomen. Banken, overheid, en invoer/uitvoer zijn wel drie grote groepen van stromen die voor de volledigheid van het macro-beeld noodzakelijk zijn.

André Bequé, 25-09-2020.

I agree with your view and you put it lucidly. Where I get bogged down is understanding what replaces the profit/price mechanism in a way that leads to efficient decision making. “That price is cheaper”, “that approach will make my enterprise more profit” are clear parameters and decisions. The replacement may need to include, moral foundation (fair/caring etc.), local, cyclical etc. but these are subjective measures and require assessment of different factors (how local, how much to share etc.) not just a price determined invisibly by the market = lots of others silent input. Maybe we have relied on the simple mechanisms for too long and the message must be make fully considered choices based on these ‘new’ parameters - e.g. I volunteer not for a clear wage but for many reasons. So that requires agreement in society of what we should base decisions on and accept it will be a continuing/messy (messy is OK) conversation not just ‘go out there and maximize profit’. As you can see, this is work in progress in my mind.

Martin53

The profit/price mechanism has not to be replaced by new mechanisms; the functioning of the marketsystem does not have to be abolished, but it has to be regulated. Regulation can happen in many forms: minimum wages, fair taxes (internally and abroad), decent working hours and conditions, social provisions, etc…

The first agreement required in society is to define the vision on the role of the economic system in the societal context. In the societal system three dimensions are inextricably connected: the social, the economic, and the political. A realistic representation of the societal system must cover and integrate the three.

A realistic representation of the societal system is far more comprehensive than Samuelson’s one. It must be based on a correct definition of the societal players in the economic sense: on one hand we have the people grouped and structured in families – the ‘populated‘ economic entities – and on the other hand the enterprises – the ‘not-populated’ economic entities. In the populated entities people live and function. In the not-populated entities people function only. In a world without people / families enterprises have no reason of existence. In a world without enterprises people / families will create enterprises.
The role of enterprises is to serve the family-households to improve their thriving. The privately organized enterprises must be profitable to keep them alive; continued growth and maximizing profit is not the primary goal. The public enterprises have to be kept alive (with taxes) as long as their need is existent.

The population as well as their politicians have to get convinced and stay aware of these principles. All regulations of the economic sphere of the society have to be based on them.
The model that I have developed on these principles is called Economic Reality System (ERS). It is transparent, complete, and accessible: the reality is recognizable in it. It offers a new basic frame for rethinking economics, wherein the functioning of markets still has a role to play where appropriate, but where aberrations can be avoided by the test with the clear and simple principles.