Meten: een overzichtelijk en toegankelijk dashboard van het maatschappelijke bestel

Als de overheid weer eens laat weten dat door de economische groei het Bruto Nationaal Product (BNP) gestegen is dan denken of zeggen de meeste mensen ‘Ja, ja , het zal wel. Voor mij telt alleen de voor- of achteruitgang van mijn netto gezinsproduct.’. De burger heeft natuurlijk gelijk; die mededeling van de som van alles wat samen met alle andere landgenoten geproduceerd is de afgelopen periode is een vorm van opgedrongen cijferfetichisme.
Een gestegen BNP betekent ook niet dat we er als groep op vooruitgegaan zijn want misschien zitten in de toename een paar grote projecten die half afgewerkt gestopt zijn of totaal nutteloos blijken. Ecologen laten ook regelmatig weten dat sommige onderdelen van de optelsom ons op termijn niet vooruithelpen maar extra geld gaan kosten waar we niet veel plezier aan zullen beleven.
Anderzijds wil een burger toch ook weten en kunnen evalueren waar hij / zijn gezin zich bevindt op de schaal van (on)gelijkheid en het is daarbij niet voldoende te weten tot welk deciel of percentiel men behoort; ook al is dat van belang om te weten welke de mogelijke vooruitzichten zijn. Het belang van algemene indicatoren bestaat erin dat het bakens zijn. Er moet echter worden gezorgd dat van die algemene indicatoren – waarvan de meeste in geld worden uitgedrukt – kan worden overgegaan naar ‘vertalingen’ of verduidelijkingen ervan en aanvullingen in zo sprekend mogelijke termen.
Waarom blijven overheden dan toch telkens opnieuw dat fetischgetal meedelen en wordt het groei- of krimppercentage zelfs wereldwijd vergeleken. Overheden krijgen van hun economische instellingen slechts dat soort getallen door om ze mee te delen; het is dus niet de schuld van de overheid. Die economische instellingen op hun beurt baseren zich op de kennis en inzichten betreffende de macro-economie die vanuit academische milieu’s worden aangereikt … en die academische milieu’s gaan – wat macro-economie betreft – nog altijd tewerk met het onvolledige en misleidende overzicht – in de vorm van het schema van de kringloopstromen – dat Paul Samuelson bedacht heeft nu al meer dan 70 jaar geleden.
Niet alleen een weinig zeggend BNP-getal is daarvan het gevolg maar ook de voortdurend toenemende ongelijkheid en de crises die elkaar almaar sneller opvolgen.
Met het dashboard van het maatschappelijke bestel met slechts één miezerig wijzertje rijden we ons eerder vroeg dan laat te pletter. Om tot een toestand te komen waarbij de communicatie gebeurt met een dashboard met veel meer op elkaar afgestelde en geïntegreerde meters, die door de meeste burgers kunnen worden afgelezen, zijn drie voorwaarden vereist.

  1. Voor de macro-economie moet van een beter stel schema’s gebruik worden gemaakt zodat de realiteit er vlot in herkenbaar is.
  2. Algemene macro-economische kennis, aan de hand van die schema’s, moet tot het curriculum van de secundaire studierichtingen behoren.
  3. Het uitgebreide dashboard moet informatie verstrekken inhakende op die verspreide kennis.
    Wat het eerste punt aangaat verwijs ik naar eerdere bijdragen in deze rubriek.
    Wat de curricula in de secundaire studierichtingen betreft: de aanpak die eindelijk (! / in België) gestart is om veralgemeend het nodige basisinzicht bij te brengen betreffende economie verliest zich in detailkennis van deelaspecten terwijl het algemene overzicht – logisch uitgangspunt als inleiding – niet aan bod komt.
    Welke meters / indicatoren op het uitgebreide dashboard moeten te zien zijn moet voortbouwen op de betere macro-economische schema’s en hun algemene verspreiding. Een goede concrete indeling vereist niet-cryptische rubrieken. Die kunnen grotendeels aansluiten op de rubrieken die aan de binnenzijde van de donutring vermeld staan en terecht het ‘sociaal fundament’ worden genoemd (P. 47 in de Nederlandstalige uitgave) om tot een duurzaam bestel te komen.
    Anderzijds wil een burger toch ook weten en kunnen evalueren waar hij / zijn gezin zich bevindt op de schaal van (on)gelijkheid en het is daarbij niet voldoende te weten tot welk deciel of percentiel men behoort; ook al is dat van belang om te weten welke de mogelijke vooruitzichten zijn. Het belang van algemene indicatoren bestaat erin dat het bakens zijn. Er moet echter worden gezorgd dat van die algemene indicatoren – waarvan de meeste in geld worden uitgedrukt – kan worden overgegaan naar ‘vertalingen’ of verduidelijkingen ervan in zo sprekend mogelijke termen.
    Wat wordt meegedeeld met een beperkt aantal indicatoren vormt slechts het beginpunt van de evaluatie van de persoonlijke situatie, want de impact van elke indicator is verschillend per persoon omdat individuele noden, verwachtingen en mogelijkheden niet gestandaardiseerd zijn.
    Om de compacte set van indicatoren te kiezen en te definiëren moet het in geld uitgedrukte BNP / BBP enerzijds worden opgedeeld en anderzijds aangevuld met niet in geld uitgedrukte categorieën van stromen die het individuele gevoel van welzijn beïnvloeden.

Het geheel van economische entiteiten die het BNP produceren omvat drie essentiëel verschillende groepen: de huishoudingen (gezinnen), de publieke en de private sector. De gezinnen zijn de centrale groep want daar leven de burgers. Het economisch bestel begint en eindigt bij de gezinnen. Publieke en private sectoren bestaan bij de ‘gratie’ van de gezinnen.
Voor het gevoel van welbevinden van een individu speelt het in principe geen rol van welke van de drie groepen entiteiten zijn inputs afkomstig zijn. Een in geld uitgedrukte soort input kan van de publieke en/of private sector afkomstig zijn want er zijn zowel overlappingen als verschuivingen in de tijd tussen die twee mogelijk. De basisbehoeften van de burgers, die het welbevinden uitmaken, zijn binnenin de donutring gepreciseerd in een aantal materiële en mentale rubrieken. De opdelingen van het BNP / BBP die nodig zijn om de burgers gegevens te bezorgen die ze kunnen koppelen aan hun persoonlijke ervaringen komen min of meer met die donutrubrieken overeen.

De vervollediging van het BNP bestaat uit twee groepen van niet in geld uitgedrukte stromen.
De eerste groep stromen is afkomstig uit het ecosysteem.

  • De kwaliteit van het klimaat (uren zonneschijn, regenval, luchtvervuiling, wind snelheden, enz.) heeft invloed op ieder van ons; hoe extremer en onvoorspelbarer het klimaat des te meer wordt het leven verstoord en zelf bedreigd.
  • De binnenlands geproduceerde voedselvoorziening: de mate waarin die zelfvoorzienend is om de bevolking te voeden is een belangrijke indicator.
  • De beschikbaarheid van grondstoffen (energie inbegrepen): de snelheid en de manier waarop ze worden geëxploiteerd geeft ook weer een idee van de autarkie.
    De tweede groep stromen wordt geleverd door het gezin / de samenleving.
  • De zorg van ouder(s) en andere familieleden
  • De mogelijke familiale ondersteuning in het verwerven van kennis en vaardigheden
  • De gratis zorg en ondersteuning geboden door verwante en bevriende families / oganizates
    Het BNP / BBP – als totaal van de in geld uitgedrukte stromen – moet worden opgedeeld / vervangen door acht fracties
  • Het totale inkomen van de gezinnen (verdiend door arbeid, pensioenen, transfers, toelagen, inkomsten uit financiële economie) (alleen hier BNP omdat financiële inkomens voor een deel uit het buitenland kunnen komen voor inwoners van een land; voor de overige delen gaat het om het binnenlandse product)
  • De productie van onderwijs: gebouwen, uitrusting, personeelskosten
  • De totale gezondheidsproductie: gebouwen, uitrusting, personeelskosten
  • De productie van nutsvoorzieningen: water, energie, communicatie (infrastructuur en personeel)
  • De productie van publiek transport: infrastructuur, materieel en personeel
  • Het saldo van goederen (infrastructuur ) en diensten geproduceed door de publieke sector
  • De huisvesting productie: nieuwbouw en renovatie
  • De eindproducten en -diensten geproduceerd door de private sector (beschikbaar via de handel)

Opdat de politici hun besluiten zouden kunnen bijsturen in de richting van een ‘regeneratieve en distributieve economie’ moeten zij de samenhang inzien van de onderdelen van het BNP /BBP met de niet in geld uitgedrukte stromen. Slechts binnen dat perspectief kunnen overheden op een eerlijke en duidelijke manier communiceren met de bevolking, en regeren met respect voor de macht die hen op democratische wijze is toegekend door de kiezers. Bovendien dienen zij in gedachte te houden dat de stromen en hun samenhang niet het resultaat zijn van materiële componenten die automatisch en op vooraf bepaalde wijze functioneren maar dat het reacties zijn van economische entiteiten waarbinnen mensen met gevoelens en voorkeuren juiste en verkeerde beslissingen nemen.
Het begrip van het maatschappelijke systeem vanuit macro-economisch standpunt is zeer slecht uitgewerkt in de gangbare economieleer. In de engelstalige landen wordt veel gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘Lagentaart’ (Layer Cake) bedacht door Hazel Henderson: ze is statisch en bevat geen weergave van stromen. Het (hoogbejaarde) schema van de kringloopstromen van Paul samuelson is te onvolledig en misleidend om het juiste inzicht en overzicht te brengen voor economiestudenten, en bij uitbreiding voor de bevolking en de politici die min of meer willekeurig uit die groep gekozen worden. Mensen kunnen maar goed gemotiveerde en wijze beslissingen nemen als ze over voldoende basisinzicht in macro-economie beschikken.

De stromenbenadering in het ‘Economische Realiteit Systeem’ (ERS) heeft het mogelijk gemaakt om meerdere schema’s uit te werken die op een toegankelijke manier de macro-economische structuur en werking in beeld brengt. Vanuit dat perspectief heb ik de principiële oplossing geformuleerd die aangeeft hoe de rubrieken binnenin de donutring hun concrete meetgegevens krijgen in het ‘uitgebreide’ BNP.

André Bequé, 28-10-2020.

Kortom, alle economie is politieke economie, omdat haar over waarden en belangen niet alleen het BBP